Afkomstig uit: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1953-1955, pagina 74-77.

AART ARNOUT VAN SCHELVEN

(Haarlem, 10 November 1880 -- Aerdenhout, 19 Mei 1954)

Aart Arnour van SchelvenVan Schelven was zoon en kleinzoon van predikanten. Men mag aannemen, dat het voorbeeld en de invloed van zijn vader beslissend is geweest voor zijn keuze van studie en loopbaan. Deze Ds B. van Schelven, een ouderwets-deftige man, imponerend door gestalte en optreden, was als hoofdstedelijk predikant actief betrokken geweest in het kerkelijk conflict van 1886, en behoorde sindsdien tot de leidende figuren in de Gereformeerde Kerken. Ook in de kring der Vrije Universiteit, waarvan hij sinds 1884 tot zijn dood in 1928 curator is geweest, stond hij in hoog aanzien.

In 1899, na het Gereformeerd gymnasium te Amsterdam te hebben doorlopen, werd de jonge Van Schelven ingeschreven als theologisch student aan de Vrije Universiteit,

Hij kon het zich veroorloven, na zijn kandidaatsexamen rustig verder te studeren in het vak van zijn keuze, de kerkgeschiedenis. De bewerking van zijn dissertatie, waarvan het onderwerp hem door zijn promotor H. H. Kuyper aan de hand gedaan was, maakte hem vertrouwd met een periode uit de vaderlandse geschiedenis, die steeds zijn bijzondere aandacht heeft gehouden: het derde kwart van de 16de eeuw. Aanvankelijk bestudeerde hij haar vooral als kerkhistoricus; later richtte hij zijn aandacht ook op de politieke gebeurtenissen en figuren. Maar bovenal trok hem, in overeenstemming met zijn opvatting van de taak van de Christenhistoricus, de geschiedenis van de ideeŽn. Een aantal van zijn studies op dit gebied, zoals die over de opkomst van de idee der politieke tolerantie, over de levensstijl van het Calvinisme, en over het verband tussen Reformatie en Revolutie, zijn verenigd in de bundel met de karakteristieke naam "Uit den strijd der geesten".

Ook in andere opzichten herkent men in de voortreffelijke dissertatie reeds de latere geleerde. Hij put overvloedig uit archivalisch materiaal. In het benutten van binnen- en buitenlandse archieven heeft van Schelven steeds een gelukkige hand gehad. Zijn bronnenuitgaaf van de Londense kerkenraadprotocollen en vele publicaties van kleinere vondsten in de Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap en elders getuigen er van. Voorts treft u in het proefschrift reeds de typische Van Schelven-stijl, met de moeizame en gewrongen zinsbouw. Een procťdť, bedoeld om de lectuur te verlevendigen, maar dat vooral in het latere werk sommige passages onleesbaar maakt.

Na zijn promotie is van Schelven de pastorie ingegaan, als gereformeerd predikant te Maarssen van 1909 tot 1914, daarna te Vlissingen tot 1918. Zijn ambt was hem geen last. Hij preekte graag en heeft dat ook in later jaren nog wel gedaan. Ondertussen studeerde hij hard verder, zoals hij dat zijn leven lang volgehouden heeft, ondanks een altijd wankele gezondheid. Maar zijn bestemming bereikte hij, toen hij in 1918 tot hoogleraar werd benoemd aan de Vrije Universiteit, waar in dat jaar de opleiding in de geschiedenis werd geopend. Hij kreeg er de algemene en vaderlandse geschiedenis van de Middeleeuwen, en, wat hem beter lag, van de tijd der Reformatie en Contrareformatie te doceren. Ook werd hem de theorie der geschiedenis opgedragen: een onderdeel, dat hem interesseerde om de daarin aan de orde komende principiŽle vraagstukken. Toch behoren zijn publicaties op dit gebied, - ik denk met name aan zijn laatst verschenen geschrift, de "Wegkruisingen in het landschap der theorie van de geschiedschrijving", neerslag van zijn colleges, - niet tot het sterkste deel van zijn omvangrijke oeuvre. Hij was meer historicus dan systematisch denker en gleed soms al te gemakkelijk heen over ingewikkelde problemen.

Als docent 1) verstond Van Schelven de kunst, zijn leerlingen te stimuleren tot eigen wetenschappelijk werk. Gezien het geringe aantal studenten in de geschiedenis tijdens zijn ambtsperiode aan de Vrije Universiteit zijn er betrekkelijk veel proefschriften onder zijn leiding tot stand gekomen. Wie bij hem gepromoveerd zijn herinneren zich met grote erkentelijkheid zijn nimmer aflatende belangstelling, die over dode punten heen hielp met aanmoediging en raad.

Bij een ruimer publiek is Van Schelven vooral bekend geworden door zijn biografie van Willem van Oranje, geschreven in opdracht van het comitť voor de herdenking in 1933. Uit eigen beweging zou hij wellicht nooit aan dit werk begonnen zijn, want hij was van mening, dat de levensbeschrijving veeleer onder de psychologie dan onder de geschiedwetenschap thuishoort. Niettemin is het een van zijn meest geslaagde boeken geworden, een eerlijk en verantwoord beeld van Oranje, dat met volkomen beheersing van de stof de essentiŽle trekken helder naar voren haalt. Minder voldoet in dit opzicht de biografie van Marnix; zij is brokkeliger en lijdt onder een teveel aan eruditie. Wellicht viel het de schrijver ook moeilijker, tegenover deze figuur, die met de zijne verscheidene overeenkomsten vertoont, voldoende afstand te nemen.

Als de waardevolste vrucht van zijn arbeid heeft Van Schelven zelf ongetwijfeld zijn geschiedenis van "Het Calvinisme gedurende zijn bloeitijd" beschouwd. Twee van de beraamde vier delen heeft hij kunnen voltooien; het derde, over het Calvinisme in Midden- en Oost Europa, zal wellicht uit zijn aantekeningen nog kunnen worden afgemaakt, maar aan het vierde, over Duitsland en Nederland, is hij niet toegekomen. Vele jaren van voorbereiding zijn nodig geweest om de her en der verspreide gegevens voor deze brede schets van het Calvinisme als cultuurverschijnsel te verzamelen en te verwerken. Ondanks de bijna onvermijdelijke leemten en tekortkomingen vormen de beide voltooide delen een prestatie van betekenis in een genre van geschiedschrijving, dat de hoogste eisen stelt aan kunde, inzicht, bezonkenheid van oordeel en vaardigheid van vormgeving.

Van Schelven leefde voor zijn werk in de studeerkamer. Ook wanneer hij zich daarbuiten bewoog, was het in activiteiten, die met zijn vak verband hielden. Zo is hij examinator geweest voor de M.O.-acte geschiedenis, lid van de commissie voor de Rijks Geschiedkundige PublicatiŽn, bestuurslid van het Historisch Genootschap en van het Nederlands Comitť voor Geschiedkundige Wetenschappen, voorzitter van het Gezelschap van Christelijke Historici. Ook van de Maatschappij van Letterkunde, van welke hij reeds in 1912 lid werd, heeft hij een jaar lang het voorzitterschap bekleed. In het hoofdbestuur van het Algemeen Nederlands Verbond kon hij uiting geven aan zijn Groot-Nederlandse gezindheid en Dietse idealen.

Tenslotte mag hier niet onvermeld blijven zijn ontslag als hoogleraar in 1945 en de voorgeschiedenis er van. Als ik het goed zie, wreekte zich in Van Schelven's houding tijdens de bezetting, dat hij vervreemd was geraakt van de engere gemeenschap, waarin hij van jongsaf verkeerd had. Aristocraat naar de geest, die tot elke prijs zijn onafhankelijkheid van oordeel wilde bewaren, stond hij kritisch tegenover allerlei, dat men in die kring als vanzelfsprekend aanvaardde, en schroomde niet daarvoor uit te komen. Zo raakte hij in een isolement, dat zijn nuchtere oordeel vertroebelde. Hij sloot zich aan bij het Nationaal Front, in de wonderlijke misvatting, dat hij daardoor zou kunnen meewerken tot behoud van de Nederlandse zelfstandigheid en de nationale waarden. Ook wie hem beter kenden, zijn door deze onberaden stap pijnlijk teleurgesteld. Zij hebben echter geen ogenblik getwijfeld aan de eerlijkheid van zijn motieven, noch aan de oprechtheid van zijn vaderlandsliefde en van zijn afkeer van de nationaal-socialistische knechting van de geest.

Het vroegtijdig einde van zijn academische werkzaamheid heeft over de laatste levensjaren van Van Schelven een schaduw geworpen. Niettemin bleef zijn geestkracht ongebroken en is hij tot het eind toe blijven arbeiden.

H. SMITSKAMP

LIJST VAN GESCHRIFTEN

1908

De Nederduitsche vluchtelingenkerken der XVIe eeuw in Engeland en Duitschland in hunne beteekenis voor de Reformatie in de Nederlanden (diss.)

1914

De bewerking van een piŽtistische gemeente.

1916

Het Zeeuwsche mysticisme.

1919

Omvang en invloed der Zuid-Nederlandsche immigratie van het laatste kwart der 16e eeuw.

1920

Het "heilig recht van opstand".

1921

Kerkeraads-protocollen der Nederduitsche vluchtelingen-kerk te Londen 1560-1563.

1925

Historisch onderzoek naar den levensstijl van het Calvinisme. 1927 De idee van den vooruitgang.

1933

Willem van Oranje. Willem van Oranje's geloof en godsdienstpolitiek.

1934

De school met den Bijbel en het onderwijs in de geschiedenis.

1939

Marnix van Sint Aldegonde.

1943

Het Calvinisme gedurende zijn bloeitijd, dl. I: GenŤve-Frankrijk.

1944

Uit den strijd der geesten.

1951

Het Calvinisme gedurende zijn bloeitijd, dl. II: Schotland-Engeland-NoordAmerika.

1953

Wegkruisingen in het landschap der theorie van de geschiedschrijving.

Voorts talloze artikelen in tijdschriften en verzamelwerken, o.a. Nieuw Nederlandsch Biographisch Woordenboek, Stemmen des Tijds, Bijdragen en Mededelingen van het Historisch Genootschap, Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis, Tijdschrift voor Geschiedenis, Antirevolutionaire Staatkunde, Ned. Archief voor Kerkgeschiedenis, Ned. Archievenblad, Oud-Holland, de Gids, Christendom en Historie, Zeitschrift fŁr Kirchengeschichte, Archiv fŁr Reformationsgeschichte The Evangelical Quarterly.

NOTEN

1) Ik ontleen hier en in het vervolg een en ander aan een herdenkingsartikel dat ik schreef voor de Almanak 1955 van het Studentencorps aan de Vrije Universiteit.