BoekomslagFragmenten uit:

DE DOLERENDEN VAN 1886 EN HUN VOOR- EN NAGESLACHT

Uitgeversmaatschappij J.H. Kok, Kampen , 1990
ISBN 90.242.5120.6 NUGI-647
Algemeen Secretariaat van de gereformeerde kerken Nederland Ė Leusden.
Redactie: P. van Beek, dr. D.Th. Kuiper, J.C. Okkema

Materiaal over de familie Van Schelven van dr. A.L. van Schelven

A-XIIe Arnout Lodewijk - leverancier van de informatie over de familie Van SchelvenEen historisch-sociologische inleiding.

In deze bijdrage wordt ingegaan op de karakteristieken van de dolerenden van 1886 en van hun voor- en nageslacht. Dit geschiedt met name aan de hand van de kwartierstaten en genealogieŽn, die centraal staan in deze bundel, maar ook op basis van elders gepubliceerde genealogische gegevens, eigen onderzoek en secundaire literatuur.

De kenmerken die bezien zullen worden zijn vooral:

- maatschappelijke ontwikkeling: de sociale herkomst en sociale positie, in termen van stijging en daling in de nationale, regionale en/of lokale stratificatie; de ontplooiing van activiteiten op diverse terreinen des levens;

- kerkelijke ontwikkeling: de kerkelijke herkomst en toetreding, in termen van de kerkgenootschappen en richtingen, waaruit de dolerenden voortkwamen en waartoe hun nageslacht ging behoren;

- geografische ontwikkeling: de internationale en regionale herkomst en uitwaaiering, in termen van de streken waar zij vandaan kwamen, geconcentreerd waren dan wel heen trokken;

- vorming van convivia en kerngroepen in dolerende kringen op plaatselijk en landelijk vlak, waarbij ook aandacht besteed wordt aan de rol van familierelaties ťn van verenigingen op vele levensterreinen.

Dit onderzoek vormt de pendant van een soortgelijke bundel over De afgescheidenen van 1834 en hun nageslacht (1984). Beide bewegingen ontstonden als protest van orthodoxe groeperingen tegen de invloed van meer vrijzinnige stromingen in de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK), die sinds 1816 bestuurd werd volgens een van staatswege ingevoerd centralistisch reglement, dat invloed vanuit de basis der gemeenten sterk bemoeilijkte. Beide bewegingen opereerden in dezelfde maatschappelijke en staatkundige omgeving, en zouden in 1892 door de vereniging van de uit hen voort≠gekomen Christelijke Gereformeerde Kerk (CGK) en Nederduitse Gereformeerde Kerken (NDGK) tot de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) in dezelfde institutionele bedding vloeien. De inleidingen tot beide bundels kunnen afzonderlijk gelezen worden. Wel is het zo dat de maatschappelijke en kerkelijke ontwikkelingen, die in het boek over de afgescheidenen uitvoeriger uiteengezet worden, de achtergrond vormen van deze studie over de dolerenden.

-o-o-o-

De Doleantie van 1886 had een lange en brede voorgeschiedenis, zoals ook blijkt uit deze inleiding. Achtereenvolgens komen aan de orde:

- de periode van Reveil en Afscheiding (1817-1854), waarin de basis werd gelegd voor de latere Strijd voor kerkherstel. Hierbij wordt aandacht besteed aan de contacten van het voorgeslacht der dolerenden met beide bewegingen (2);

- de periode van de Strijd voor kerkherstel (1854-1880), waarin door oprichting van verenigingen een differentiŽring zichtbaar werd in verschillende arena's: kerk, poli≠tiek, onderwijs etc., terwijl er zich tevens binnen de orthodoxie een pluralisering aftekende tussen ethischen, confessionelen en gereformeerden. Dit verhaal wordt zo veel mogelijk verteld aan de hand van de levensgeschiedenissen van personen uit de genealogieŽn in dit boek (3);

- de periode van de definitieve pluralisering der orthodoxie (1880-1896), die gepaard ging met een verdere differentiŽring in de vorm van verenigingen en daaruit voort≠gekomen instellingen, en zich uitte in de institutionalisering op plaatselijk, regionaal en landelijk vlak van een antirevolutionair/gereformeerde optie en een hervormd/ christelijk-historische optie binnen de orthodoxie. Deze ontwikkeling wordt geÔllu≠streerd aan de hand van de lotgevallen van twee generaties uit enkele families (4);

- de dolerenden en hun nageslacht. In dit hoofdstuk wordt een schets gegeven van de Doleantie in Amsterdam, op de Veluwe, in Friesland, in de Betuwe en op de Zuid≠Veluwe, in Utrecht, en in Zuid-Holland en Zeeland. Dit gebeurt zoveel mogelijk aan de hand van de levensgeschiedenissen van de leden van families, wier genealogieŽn zijn opgenomen in dit boek. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan hun voorgeslacht en nageslacht, een en ander in termen van de hierboven genoemde vier kenmerken. Het blijkt mogelijk aldus op exemplarische wijze een inzicht te bieden in de ontwikkeling van de gereformeerde wereld in de periode 1869-1945 (5).

De doelstelling van deze bundel is niet alleen een beschrijving te bieden van families die bij de Doleantie betrokken waren, maar ook omgekeerd het verhaal van de Strijd voor kerkherstel en de Doleantie, alsmede van de daaruit voortgevloeide gereformeer≠de kerkelijke formaties en organisaties op andere levensterreinen, te vertellen aan de hand van gegevens over de beschreven families. Dit gebeurt door deze gegevens in te weven in het algemene verhaal. Dit algemene verhaal is gebaseerd op schriftelijke getuigenissen van medespelers en recente kerkhistorische en historisch-sociologische studies; het wordt als het ware 'verzadigd' met voorbeelden uit de genealogieŽn. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de in de culturele antropologie en sociologie gebruikte methode van het presenteren van 'casussen' (gevallen), waarin algemene tendenties en verschijnselen beschreven worden aan de hand van goed gekozen voorbeelden van bepaalde gebeurtenissen, families en biografische gegevens van personen.

-o-o-o-

Ds. Bastiaan van Schelven (1847-1928), Amsterdams predikant en vice-president van de Vrienden der Waarheid, was o.a. als president-curator van de VU en Kampen, als praeses van drie GKN-synodes (1896, 1905, 1911), als voorzitter van CNS, als president-directeur van het Gereformeerd Gymnasium (1894-1928) en voorzitter van de Gereformeerde Kweekschool te Amsterdam, tot in de jaren 1920 een sturende figuur in de gereformeerde wereld, die nog in de voorgeschiedenis van de synode van Assen (1926) een rol speelde. Ook twee van zijn broers waren hervormde, daarna dolerende predikanten: ds. Johannes Cornelis van Schelven (1845-1904), die te Zetten (1873-1875) en Utrecht (1875-1881) had gestudeerd, ging op 20 februari 1887 met de kerkenraad te Dieren in Doleantie (Kamerling, 1986). Hij fungeerde als scriba van de eerste voorlopige synode der NDGK (1888-1889) en eerste voorzitter van de stichting 's Heerenloo (1891-1904). Hij was getrouwd met een dochter van de Amsterdamse Reveilfiguur T. Sanders jr. (zie 3.2.1). Zijn beide zoons, die arts werden, behoorden niet tot de GKN. Ds. Corneille Louis FranÁois van Schelven (1858-1933), studeerde te Utrecht, waar hij' 'te kuyperiaans was om voorzitter van Eltheto te worden", en ging - na een conflict met het klassikaal bestuur van Leiden over zijn deelname aan het Kerkelijk Congres van januari 1887 - op 3 februari 1887 met de kerkenraad van Oude en Nieuwe Wetering in Doleantie. Hij was als predikant te Wageningen (1893-1929) en redacteur van de Gelderse Kerkbode, waarin hij zijn broer opvolgde, een centrale figuur in de Gelderse GKN. Als curator van het Christelijk Gymnasium te Zetten (1899-1910) ijverde hij voor verplaatsing daarvan naar Arnhem (Van Schelven, 1911; Van der Heden e.a., 1986).

De Van Schelvens waren in de 17e en 18e eeuw molenaars op de Zuidhollandse eilanden, maar in het voorgeslacht kwamen ook chirurgijns en schoolmeesters voor. Ds. Aart van Schelven (1814-1900) ontwikkelde zich van verver, timmerman en afgescheiden scriba te Zuid-Beijerland tot bijbelcolporteur, evangelist, en reizend predikant in Zeeland en BelgiŽ, o.a. voor de uit de Reveil stammende Confessionele Vereniging, een wat deftiger zusterorganisatie van de Vrienden der Waarheid (zie 2.3; 3.1.2). In 1886 sloot hij zich bij de Doleantie aan, waarna hij in 1888 preekconsent in de NDGK kreeg (De Haas, 11, 1984, 297-303).

Bastiaan van Schelven zelf raakte door huwelijken met jkvr. Louisa D. van Teylingen en jkvr. Stephania W. de Jonge, dochter van jhr. J.L. de Jonge (1826-1887), lid van de uit de Zeeuwse Afscheiding stammende CGK en in de periode 1875-1882 antirevolutionair kamerlid, ook familiaal in de Reveilsfeer. Zijn deelname aan het convivium van de kerngroep van de gereformeerde wereld kwam ook tot uiting in de huwelijken van zijn kinderen, waardoor gemeenschappelijk schoonvaderschap ontstond met generaal-majoor C.M.E. van LŲben SeIs (1846-1923), afkomstig uit een Zutphense patricische familie, antirevolutionair lid der Tweede (1888-1894) en Eerste (1905-1914) Kamer, alsmede VU-directeur (1894-1903); met dr. A.J.W. Monnik (1839-1909), uit een Utrechts-Gelders geslacht van geneesheren, curator van Zetten (1888-1903) en de VU (1896-1909) - van wie twee andere kinderen huwden met een zoon en dochter van AR-kamerlid, minister van koloniŽn en VU-directeur J.H. de Waal Malefijt (1852-1931) - en met prof. dr. J. Woltjer (1849-1917), VU-classicus, dolerend ouderling en eerste rector (1889-1917) van het Amsterdamse Gereformeerd Gymnasium, dat vanaf 1889 grotendeels de functie van het Zettense Christelijk Gymnasium als bakermat van de jonge gereformeerde intelligentsia overnam.

Zijn beide dochters waren bestuurslid van de steunorganisatie van dr. Scheurers hospitaal in Djokjakarta. Een schoonzoon, de Haarlemse advocaat mr. IR. Monnik (1878-1928), nam het initiatief tot de oprichting van radio-Bloemendaal, die kerkdiensten uitzond van de GKN aldaar, was medestander van dr. J.G. Geelkerken, en emigreerde naar Zuid-Afrika waar hij landeigenaar en NDGK-lid werd. Beide zoons bezochten het Gereformeerd Gymnasium. De oudste, de Vlissingse predikant dr. A.A. van Schelven (1880-1954), werd hoogleraar geschiedenis aan de VU (1918-1946), de jongste, mr. A.J. van Schelven (1882-1932), rechter in Rotterdam en bestuurslid van 's Herenloo en een vereniging voor Christelijk middelbaar onderwijs. Het nageslacht van de laatste vervulde leidende maatschappelijke functies, en toonde zich actief in GKN of NHK.