Translation of Dutch words and phrases in the family tree

Abbreviation Dutch English

1e

eerste

first

2e

tweede

second

3e

derde

third

Ao.

anno

in the year of our Lord

Ca.

circa (ongeveer)

around (usually around a date in this context)

dr.

dochter van

daughter of

Dr.

doctor

doctor of science, D.Litt., Ph.D, M.D., Doctor of Law or Doctor of Divinity

Ds.

dominee

(protestant) reverend, rector, vicar, pastor or clergyman

Em.

emeritus (niet langer in functie)

retired from profession (reverend, professor)

geb.

geboren

born

geb./ged.

geboren en gedoopt

born and baptised

ged.

gedoopt

baptised

Gem.

gemeente

municipality

Geref.

gereformeerd

Reformed (strict Calvinistic)

j.d.

jongedame

young lady

j.m.

jonge man

young man

N.H.

Nederlands Hervormd

(Dutch) Reformed

N.N.

latijn: geen naam

name unknown

o.t.

ondertrouw(t)

engaged (engages)

t.w.

te weten

as specified

w.s.

waarschijnlijk

probably

wed.

weduwe

widow

wedr.

weduwnaar

widower

won.

wonende te

living at

zn.

zoon van

son of

 

aangifte

official statement

 

begraven

buried

 

dag

day

 

dan

then

 

den

the

 

doop

baptism

 

een

a (an)

 

en

and

 

getuige

witness

 

hertrouwt

re-marries

 

hij

he

 

huwt

marries

 

jaar

year

 

kinderen

children

 

met

with

 

moeder

mother

 

neef

male cousin, nephew

 

nicht

female cousin, niece

 

oom

uncle

 

op

on

 

oud

age

 

overleden

passed away (fact)

 

overlijden

passing away (process)

 

tante

aunt

 

te

at

 

tweeling

twin (brother or sister)

 

vader

father

 

van

of

 

vermoedelijk

probably

 

volgt

continues at

 

zij

she